Bezinning bij de vierde vastenzondag

 

Heer, onze God,
Niet voor het duister hebt Gij ons gemaakt,
niet voor de dood,
maar voor het licht dat in de wereld is gekomen:
Jezus, de Heer.
Wek ons uit de slaap van het ongeloof,
genees ons, open onze ogen,
breng ons naar het licht
dat alle mensen redding brengt:
Jezus Christus, uw Zoon.

 

 

 

Psalm 23    (vertaling Huub Oosterhuis)

Jij mijn herder ? Niets zou mij ontbreken.

Breng mij naar vlietend water
dat mijn ziel op adem komt
dat ik rechte sporen weer kan gaan
achter jou aan.

Jij mijn herder ? Niets zal mij ontbreken.

Moet ik de afgrond in, in de doodsvallei,
ik zal bang zijn – ben jij naast mij
ik zal niet doodgaan van angst.

Jij hebt de tafel gedekt – mijn spotters
weten niet wat ze zien:
dat jij mijn voeten wast, ze zalft met balsem
mij inschenkt, drink maar, zeg je

Niets zal mij ontbreken.

Laat het zo blijven, dit geluk
deze genade, al mijn levensdagen.

Dat tot in lengte van jaren
ik wonen zal bij jou in huis.

Jij mijn herder, niets zal mij ontbreken.

Uit het Johannesevangelie (Joh. 9, 1 – 41 verkorte versie)

In die tijd zag Jezus in het voorbijgaan een man die blind was van zijn geboorte af.
Hij spuwde op de grond, maakte met het speeksel slijk, bestreek daarmee de ogen van de man en zei tot hem:
“Ga u wassen in de vijver van Siloam” (wat betekent: gezondene).
De blinde ging ernaar toe, waste zich en kwam ziende vandaan.
Zijn buren nu en degenen die hem vroeger hadden zien bedelen, zeiden: “Is dat niet de man, die zat te bedelen ?”
Sommigen zeiden: “Inderdaad, hij is het.” Anderen: “neen, hij lijkt alleen maar op hem.” Hijzelf zei: “Ik ben het.”
Men bracht nu de man die blind geweest was, bij de Farizeeën;
de dag waarop Jezus slijk had gemaakt en zijn ogen geopend, was namelijk een sabbat.
Ook de Farizeeën vroegen hem dus, hoe hij het gezicht herkregen had.
Hij zei hen: “De man die Jezus heet, deed slijk op mijn ogen, ik waste mij en ik zie.”
Toen zeiden sommige Farizeeën: “De man komt niet van God, want Hij onderhoudt de sabbat niet.”
Anderen zeiden: “Hoe zou een zondig mens zulke tekenen kunnen doen ?”
Zo was er verdeeldheid onder hen. Zij richtten zich opnieuw tot de blinde en vroegen:
“Wat zegt gijzelf van Hem, daar Hij u toch de ogen geopend heeft ?”
Hij antwoordde: “Hij is een profeet.”
Zij voegden hem toe: “In zonden zijt ge geboren, zo groot als ge zijt, en gij wilt ons de les lezen ?” £
Toen wierpen ze hem buiten.
Jezus vernam dat men hem buitengeworpen had, en toen hij hem aantrof, zie Hij: “Gelooft ge in de Mensenzoon ?”
Hij antwoordde: Wie is dat, Heer ? Dan zal ik in Hem geloven.”
Jezus zei hem: “Gij ziet Hem, het is degene die met u spreekt.” Toen zei hij: “Ik geloof, Heer”, en hij wierp zich voor Hem neer.

Voorbede

Laten wij bidden:

Jezus, het volstond voor U voorbij te gaan
om de man op te merken die niet kon zien:
maak ons oplettend voor elke mens
die wij vandaag op onze weg kruisen.

Jezus, het volstond voor U te spreken
om hoop te wekken in de man
die geen kracht meer had om U te roepen:
leg woorden in onze mond
die troost en moed kunnen geven.

Jezus, het volstond voor U hem aan te treffen
om het geloof te wekken in de man
die vanaf zijn geboorte opgesloten zat in duisternis:
kom onze ogen openen om in elke mens
het beeld van God te ontdekken.

Jezus, het volstond voor U te zegenen
om uw goedheid te bewijzen
aan wie gebogen gaan onder een zware last:
schenk ons uw vrede, Heer,
en wij zullen bewerkers van vrede zijn.

Slotgebed

Heer God,
Aan elke mens schenkt Gij uw licht.
Verhelder ons bestaan door de glans van uw genade.
Help ons U oprecht lief te hebben
en altijd voor ogen te houden wat waarde heeft