Woord van de pastoor

Beste lezer en lezeres,

 

Er is niets in de wereld dat meer gelijkt op God dan het hart van een vader of het hart van een moeder. We hebben allemaal de ervaring daarvan mogen opdoen. Ieder van ons is ooit liefdevol in de armen genomen door vader of moeder. De meeste mensen hebben dan later zelf een vaderhart of moederhart gekregen, een hart om op hun beurt liefde door te geven, de grote rol te spelen van vader-zijn of moeder-zijn, naar het beeld van God.

Abraham

Een van de mensen die tot deze goddelijke waardigheid van het vaderschap verheven is, was Abraham. Hij was op twee wijzen vader. Hij was de vader van isaak, de zoon die hem beloofd was, maar op wie hij zeer lang heeft moeten wachten. En hij is de vader van de gelovigen, de vader van ontelbare mensen die vertrouwen op God, ook als zij Hem niet begrijpen.

Het vaderhart van Abraham werd op de proef gesteld, zoals het hart van elke ouder op de proef wordt gesteld. Natuurlijk, wel niemand wordt in zijn liefde zo beproefd als Abraham die zijn zoon moest offeren. Maar het is in het klein toch de beproeving van elke ouder dat zij het kind dat zij gekregen hebben, weer moeten laten gaan. Het begint op de dag van de geboorte en het herhaalt zich telkens weer. Hoe groter het kind wordt, hoe meer het zich losscheurt, tot het zich volledig heeft losgemaakt. Het offer, het moeten geven en laten gaan, is de wet van het leven voor iedereen die vader of moeder is geworden.

De enige vreugde die ouders overblijft, de enige fierheid die ze kunnen hebben, is te weten dat hun kind nu volledig ter wereld is gekomen: een zelfstandige mens, los van hen, soms ver van hen, maar nu ook in staat op zijn beurt leven en liefde door te geven.

Op de berg

Dat is de vreugde die uitbreekt in het hart van God de Vader als Hij zijn Zoon ziet boven op de berg. Dan spreekt zijn fierheid: “Dit is mijn Zoon, mijn welbeminde Zoon, luistert naar Hem.” Het zijn de woorden waarmee de Vader zijn Zoon laat gaan. Het is de fierheid waarmee Hij Hem wegschenkt aan ons en Hem uitlevert aan al de risico’s van het menselijk bestaan.

Net als bij Abraham, en net als bij elke andere vader, is dit niet zonder pijn, niet zonder zorg om al wat er met zijn Zoon zal gebeuren. Bang voorziet Hij de willekeur waarmee Hij zal behandeld worden en de dood die Hem te wachten staat. Maar groter dan de pijn is toch zijn liefde, zijn bereidheid om Hem te geven en Hem te laten gaan.

Vraag

Abraham beklom de berg om zijn zoon prijs te geven. Zo meende hij zijn liefde te bewijzen. En God ze aan, Isaak bleef gespaard. Eeuwen later ziet God zijn eigen Zoon de berg opgaan om zichzelf  prijs te geven. Het was zijn bovenmenselijke wijze om ons te zeggen hoezeer Hij ons liefheeft. De tweede zondag van de veertigdagentijd stelt ons de vraag: “Ziet u deze liefde? Neemt u ze aan?”

Jos Verstraeten