Derde vastenzondag
Levend water
7 maart 2026
Beste medegelovigen,
Op de derde zondag van de veertigdagentijd zijn we hier opnieuw samengekomen voor een gezinsviering. Ik wil mij vandaag – zoals altijd – tot iedereen richten, maar toch ook speciaal tot onze vormelingen die binnenkort luidop zullen zeggen dat ze deel willen uitmaken van de grote familie van de christenen.
Men zegt vaak dat jongeren de toekomst zijn. En hoewel jullie het woord “kinderen” misschien niet meer zo graag horen, ligt de toekomst van onze kerk wel in jullie handen. Binnen tien jaar, binnen dertig jaar, misschien zelfs binnen vijftig jaar.
Net zoals de veertigdagentijd ons voorbereidt op Pasen, bereidt onze aanwezigheid hier vandaag ons allemaal voor op de trektocht door het leven als christen. Maar laten we nog niet te ver vooruit denken. Stap voor stap.
Mijn eerste vraag is eenvoudig, aan ieder van jullie: waarom ben je hier? Waarom koos je ervoor om op zaterdagavond of zondagmorgen naar de kerk te komen? Ik wil dat je daar even over nadenkt en voor jezelf een eerlijk antwoord zoekt.
Misschien wil je hier echt zijn om te groeien. Misschien ben je meegekomen met je ouders. Misschien voelt het soms ook een beetje moeilijk, met al die woorden en verhalen. Of misschien hoop je hier iets te ontdekken over God en over het leven.
Wees gerust: ik ga jullie niet luidop laten antwoorden. Maar erover nadenken is al belangrijk. Want waarom doen wij de dingen die we doen? Waarom kiezen mensen in 2026 nog om een volgeling van Christus te zijn? Dat is vandaag niet altijd vanzelfsprekend.
Ik stel die vraag ook aan mezelf. En mijn eigen kinderen – iets ouder dan jullie – worstelen daar ook mee. Mijn dochter van vijftien zegt soms dat de kerk, en ik citeer haar, “tantou saai” is. Wat zij nog niet helemaal begrijpt, zal ik vandaag proberen uit te leggen: soms zit de betekenis gewoon in het doen.
Ik geef een voorbeeld.
Vorige week ben ik met mijn grootmoeder van 91 meegegaan naar een misviering in Gentbrugge voor de overledenen van januari en februari. Het was lang geleden dat ik daar nog geweest was. Ik ken de mensen er niet meer en ook de priester niet.
Maar ik ben meegegaan om respect te tonen voor onze overleden familieleden en om mijn grootmoeder een plezier te doen.
Tijdens de homilie zei de priester een zin waar ik de hele week over heb nagedacht:
“De Kerk is geen museum, maar een veldhospitaal.” Een museum is een plaats waar je naar oude dingen kijkt. Alles blijft er netjes staan zoals vroeger. Een veldhospitaal is iets heel anders. Dat is een plek waar mensen naartoe gaan wanneer ze pijn hebben of hulp nodig hebben, bijvoorbeeld na een ramp of tijdens een oorlog. Mensen proberen daar elkaar te verzorgen met de middelen die ze hebben.
Zo zou de kerk ook moeten zijn. (..) Niet alleen een plaats waar we naar het verleden kijken, maar een plaats waar mensen samenkomen om elkaar te helpen, om moed te krijgen, en om daarna naar buiten te gaan en goed te doen waar dat nodig is.
Dat deed mij nadenken. Ben ik echt een christen in wat ik doe? Of alleen in wat ik zeg? Is mijn geloof misschien soms een mooi kostuum dat ik enkel op zondag aantrek? Die ene keuze – meegaan met mijn grootmoeder – heeft mij de hele week aan het denken gezet. En eerlijk: het heeft mij een klein beetje een beter mens gemaakt.
Op dezelfde manier werkt het Bijbelverhaal van vandaag.
Op het eerste gezicht gaat het over water. Bij Mozes in de woestijn en bij de Samaritaanse vrouw. Het volk Israël heeft dorst. Ze zijn moe en beginnen te twijfelen. Mozes slaat op een rots en plots stroomt er water uit. Dat is een sterk beeld: zelfs op de droogste plek kan een bron ontstaan.
In het evangelie zit Jezus bij een put wanneer een Samaritaanse vrouw water komt halen. Op zich lijkt dat een gewone ontmoeting, maar in die tijd was dat eigenlijk heel bijzonder: Joden spraken normaal niet met Samaritanen, en mannen spraken niet zomaar met vrouwen die ze niet kenden.
Toch zegt Jezus eenvoudig: “Geef mij wat te drinken.” Met één zin doorbreekt hij grenzen. En dan zegt hij iets dat nog belangrijker is: hij spreekt over levend water. Niet gewoon water uit een put, maar iets dat de dorst van mensen vanbinnen kan lessen.
Want iedereen kent die dorst. De dorst om gezien te worden. Om ergens bij te horen. Om te voelen dat je leven zin heeft. Mensen proberen die dorst op veel manieren te lessen: met succes, geld, populariteit of likes. Maar vaak merk je dat het niet blijft werken. Jezus zegt: er bestaat ook een andere bron. Een bron van vertrouwen, vergeving en hoop.
En wat mij in dit verhaal het meest raakt, is wat daarna gebeurt.
De vrouw laat haar waterkruik achter en loopt naar het dorp om aan iedereen te vertellen wat ze heeft meegemaakt. De vrouw die eerst alleen kwam, brengt plots mensen samen. Eén ontmoeting kan een richting veranderen.
Dat is één van de kernpunten van ons geloof: niet dat je alles perfect begrijpt, maar dat je openstaat voor een ontmoeting die iets in beweging zet.
Voor jullie, vormelingen, begint die zoektocht misschien nu wat bewuster. Niemand verwacht dat je vandaag alle antwoorden hebt. Maar de keuze om hier te zijn, om te luisteren en na te denken, is al een eerste stap.
En zo kom ik terug bij die zin van daarnet. De kerk mag geen museum zijn. De kerk moet een plaats zijn waar mensen met hun twijfels en hun pijn mogen binnenkomen. Een plaats waar mensen elkaar helpen om weer recht te staan. En zo’n kerk kan alleen bestaan als er mensen zijn die dat ook willen doen.
Dat begint klein. Ook als je nog maar elf of twaalf jaar bent: iemand helpen, iemand vergeven, iemand laten voelen dat hij of zij er mag zijn.
Precies zo begint het evangelie werkelijkheid te worden.
En wie weet… misschien zijn jullie binnen tien, dertig of vijftig jaar wel de mensen die ervoor zorgen dat de kerk echt dat veldhospitaal wordt voor deze wereld. Een plaats waar mensen welkom zijn om te komen drinken van het levend water dat Jezus ons aanbiedt. Zou dat niet zalig zijn?
Amen.
Feest van de Heilige Familie
Francis De Witte
december 2025
Beste medegelovigen
We komen net van de feesttafel. Ik hoop dat ieder van u deze week de geboorte van Jezus met familie en vrienden of kennissen heeft mogen vieren. En als dat niet het geval was, hoop ik dat je de warmte van het Kerstfeest toch op een andere manier hebt mogen voelen. Je hoort het overal tijdens reclamespots: 'It's the most wonderful time of the year.’ En toch zou een realist durven stellen dat de tijden somber zijn….
Wie het nieuws volgt, beseft dat we in een wereld vol onrust leven. Oorlogen die maar niet willen stoppen en andere die ons angst inboezemen, gezinnen die onder druk blijven staan, jongeren die op zoek blijven naar houvast en die zich soms overbodig voelen. Generaties die verder uit elkaar drijven. We praten over elkaar en niet meer met elkaar in steeds ruwer wordende bewoordingen. Nooit eerder had iedereen het grote gelijk en wist niemand nog wat de waarheid is.
Terecht - denk ik - klinkt de vraag die velen bezighoudt: waar is de hoop? En misschien nog eerlijker: hoe kun je hoop houden als je ze niet ziet? De lezingen van vandaag zijn geen makkelijke teksten. Ze doen geen beloftes van snelle oplossingen. Maar ze reiken ons elk op hun eigen manier iets anders aan: een diepere, stillere hoop – een hoop die niet schreeuwt, maar draagt.
De eerste lezing uit Jezus Sirach lijkt op het eerste gezicht eenvoudig: ‘Eer uw vader en uw moeder’. Het klinkt bijna ouderwets, op het randje van het moraliserende af. Mijn leerlingen beginnen al met hun ogen te draaien als ik met de 10 woorden van Mozes af kom. Maar Sirach spreekt niet zomaar over gehoorzaamheid maar over verbondenheid tussen de generaties. Over zorg dragen voor wie ouder wordt en over trouw blijven aan relaties, ook wanneer ze moeilijk zijn. “Wie zijn vader eert, verzoent zijn zonden.” “Wie zorg draagt voor zijn moeder, verzamelt schatten.”
In donkere tijden is het precies dat wat vaak verdwijnt: geduld, respect, zorg voor elkaar. Sirach herinnert ons eraan dat hoop niet begint met grote woorden of spectaculaire daden maar met kleine, concrete keuzes: luisteren naar elkaar, vergeven, nabij blijven. Hoop groeit waar mensen elkaar niet loslaten.
De tweede lezing, uit de brief aan de Kolossenzen, gaat nog een stap dieper. Paulus richt zich tot een jongere christelijke gemeenschap die het ook niet gemakkelijk had. Hij zegt hen niet: ‘verander eerst de wereld’ maar wel ‘bekleed uzelf met barmhartigheid - écht graag zien is dat - met goedheid, met nederigheid, met zachtheid en met geduld. Met andere woorden: laat hoop zichtbaar worden in hoe jullie met elkaar omgaan. Geen woorden, maar daden!
Paulus weet dat gemeenschappen kwetsbaar zijn. Gezinnen, parochies, samenlevingen kunnen een plaats van warmte zijn, maar evenzeer van conflict en pijn. Net daarom wijst hij op liefde als een verbindende kracht. Niet liefde als een vaag gevoel of liefde tussen twee pubers die elkaar net gevonden hebben. Liefde als de bewuste keuze om de ander ruimte te geven, om niet alles te laten escaleren en om elkaar te blijven zien als mens.
Maar die liefde dragen wij als christen niet alleen. Paulus zegt dat ons leven geworteld is in Christus, niet in wat we moet bewijzen. Hoop is hier geen optimisme, maar vrijheid. De vrijheid om niet alles zelf te moeten dragen. De vrijheid om te geloven dat het laatste woord niet gesproken wordt door angst.
En laat angst nu net een kerngevoel zijn in het evangelie vandaag. Enkele dagen geleden kwamen we nog samen om de geboorte van Jezus te vieren. Adeste Fideles, kwamen we allen tezamen jubelend van vreugde. Vandaag blijft geen spaander over van dat bijna idyllische beeld daar aan die voederbak.
De hetze van enkele weken geleden rond de kerststal in Brussel heeft me geraakt. Sinds de eerste kerststal onder de heilige Franciscus van Assisi in 1223 zijn we de ware betekenis ervan stelselmatig (stapje voor stapje) gaan verliezen. Niet het gezellige, warme, knusse samenzijn op een heuglijk moment maar wel de zichtbare armoede, kwetsbaarheid van God werd verbeeld voor de ongeletterde inwoner van Assisi. We leven jammer genoeg in een wereld die keer op keer, jaar na jaar geactualiseerd kan worden in die kwetsbare, erbarmelijke start van Jezus’ leven.
Die kwetsbaarheid wordt nog extra uitvergroot in het evangelieverhaal van vandaag; zonder twijfel het meest confronterende moment uit alle schriften vandaag. De woorden rond geboorte van Jezus zijn nog niet koud of we horen al verhalen over geweld, dreiging en vlucht. Een kind dat moet weggebracht worden. Ouders die alles achterlaten om hun kind te beschermen. Jezus begint zijn leven als vluchteling.
Dit is een uiterst rauwe realiteit. En precies daar gebeurt iets beslissends: God kiest ervoor om niet buiten het lijden te blijven. Niet boven de geschiedenis te staan, maar er middenin te wonen. Hoop verschijnt hier niet als licht dat de duisternis meteen verdrijft, maar als een kwetsbaar leven dat bewaard blijft – tegen alle verwachtingen in. Jozef krijgt dromen, geen zekerheden. Hij krijgt geen kaart, geen garanties, alleen genoeg licht voor de volgende stap.
Vandaag eren we de Heilige Familie om wie ze waren en wat ze gedaan hebben. Jozef droomde, luisterde en handelde. Maria zweeg, vertrouwde en ging mee op pad. Jezus was gezegend met de zorgen van zijn moeder, zijn vader maar ook van zijn Vader met de grote V. Want ook de heilige familie ging niet alleen op pad. God is aanwezig, zelfs - en misschien juist - wanneer het leven onveilig is. Hoop is leven vanuit een verbondenheid die sterker is dan angst.
En dat is misschien wel een sleutel voor ons vandaag. Hoop is vaak niet weten hoe het verder moet, maar toch opstaan. Toch verdergaan. Toch vertrouwen op wat je nog niet ziet.
Hoop is blijven kiezen voor menselijkheid, ook als de wereld hard wordt.
En ja, soms zie je die hoop niet. Soms voel je haar niet. Maar dat betekent niet dat ze er niet is. Zoals een zaad in de grond. Zoals een kind op de vlucht. Zoals een mens die opstaat na de doop, nog nat, nog onzeker, maar niet meer alleen.
Mogen wij in deze sombere tijden mensen zijn die hoop dragen – niet luid, niet triomfantelijk, maar trouw.
Moge wij geloven dat God ook vandaag aanwezig is, niet aan de rand, maar midden in onze kwetsbaarheid. En mogen wij, stap voor stap, leven alsof het licht ons al tegemoetkomt.
Amen.